In Han M.M. Fortmann, Als ziende de onzienlijke, deel II, p. 544/545, kwam ik een passage tegen, die heel actueel is. Fortmann was een eminent geleerde, vol respect zou ik hem een “omgevallen boekenkast” willen noemen. De titel lijkt stichtelijk, maar het boek is een wetenschappelijk werk pur sang. Ik neem de passage zonder verdere toelichting over.
“De asceet, aldus Schubart, stelt de beslissende vraag op een verkeerde manier. De keus is niet: geslachtelijkheid of geslachtsloze levenswandel, maar: veredelde seksuele liefde of ruwe drift. De ascese doodt niet de seksualiteit (die kan men niet doden), maar de eros. Daarom is de geschiedenis der ascese de geschiedenis van een stervende erotiek en tegelijk van smeulende begeerten. Men denke aan de celibaatsproblematiek, aan de ontuchtige moraalhandboeken. “Man denke an die theologische Spekulation über das sigillum virginitatis, an die wollüstige Ausmalung der anatomischen Einzelheiten, hinter Denen sich das Geheimnis der übernatürlichen Gottesgeburt verbirgt – ein Vorstellungsgebiet, auf dem die überreizte Phantasie der Unbeweibten unbehelligt umherschweifen konnte.” (ibid. 252). Schubart legt verder verband tussen de angst voor het seksuele en de heksenwaan, waarin de vrees voor de vrouw zich vermengt met de vrees voor de duivel. En als verwijderde gevolgen van de christelijke vijandschap jegens de erotiek ziet hij vooreerst de seksuele verwildering in het tijdperk van de rococo en de na-romantische tijd. De moderne mens hield zich weliswaar niet meer aan het religieuze kuisheidsgebod, maar hij hield van het christendom wel het vage gevoel over dat de seksualiteit iets minderwaardigs is – hetgeen begrijpelijk wordt als men bedenkt dat zij reeds lang van de erotiek was losgemaakt. Zo ontstond “het seksuele vraagstuk”. En vervolgens signaleert hij het wegvallen van de erotische krachten uit de cultuur der laatste eeuwen. De eros bindt aaneen, het individualisme splijt uiteen. De eros is in zijn dionysische aspecten onberekenbaar, de bourgeoiscultuur vreest het onberekenbare. Maar ook het technische denken wordt oppermachtig zonder de eros.”